Griffier 1895 - 1928
Schelte Sybenga werd op 28 januari 1862 in Nijkerk in de gemeente Oostdongeradeel geboren, als zoon van Abe Sijbenga en Maria Magdalena Bouma.
Als hij zeventien jaar oud is vertrekt hij uit Oostdongeradeel om in Groningen te gaan studeren. Op 8 november 1879 wordt hij aan de Groninger Academie ingeschreven als student rechten. Hij trekt als commensaal in bij de familie K.B. Witsenboer, koemelker in de Nieuwe Boteringestraat. Een paar jaar later woont hij in bij de familie J.N. Witsenboer, zadelmaker, eveneens in de Nieuwe Boteringestraat. Hij promoveert op 18 december 1885 zowel in de rechts- als in de staatswetenschap.
Nog voor zijn promotie vindt hij per 1 augustus 1885 werk bij de provinciale griffie van Drenthe. Een week later, op 7 augustus, wordt hij als inwoner van de stad Groningen uitgeschreven. Het bevolkingsregister vermeldt dat hij tijdelijk afwezig zal zijn. Wat de achtergrond van deze opmerking is, is niet meer na te gaan, maar kennelijk was Schelte Sybenga van plan om na niet al te lange tijd in Groningen terug te keren.
In de tijd dat Schelte Sybenga in Assen woont leert hij zijn toekomstige vrouw kennen. Op 13 juni 1889 trouwt hij in Assen met Gebina Hermanna Aleida Johanna Swaters van Schaumburg. Zij is geboren op 23 september 1865 in Gorinchem.
Bij de provinciale griffie van Drenthe is Sybenga achtereenvolgens adjunct-commies en, na 1 oktober 1887, commies.
Acht jaar na zijn vertrek uit Groningen keert Schelte Sybenga er terug. Op 1 november 1893 verruilt hij de Drentse griffie voor de Groningse. Mr. E. van Loon, heeft dan in Groningen de leiding als griffier. Ongeveer twee jaar lang heeft Sybenga als chef van de 1e afdeling van zijn leiding kunnen profiteren, waarna hij bij besluit van de Staten van 12 november 1895 met 41 van de 43 uitgebrachte stemmen tot opvolger van Van Loon wordt aangewezen.
Als Schelte Sybenga in 1893 met zijn gezin in Groningen terugkeert, koopt hij een pand, nummer 33, aan de zuidzijde van de Noorderhaven in het zogenaamde hoekje van Ameland, een naam die herinnert aan de vroeger belangrijke handel van de stad Groningen op Ameland. Het gezin blijft daar wonen tot zij tussen 1910 en 1920 verhuizen naar het H.W. Mesdagplein, nummer 2, later aangeduid met nummer 13.
Van 16 november 1895 tot 1 januari 1929 heeft Schelte Sybenga als griffier de provincie Groningen gediend. Hij beschikte daarbij over alle vereisten om een goed griffier te zijn. Sybenga bezat een gedegen kennis van het staats- en administratief recht. Zijn publikaties getuigen daarvan. Zijn proefschrift: Eenige opmerkingen over onrechtmatige daden als bron van verbintenis (1885), zijn latere werk: Een bijdrage tot de kennis van den rechtstoestand der polders in de provincie Groningen (1897), Memorie nopens den rechtsgrond der heffingen van verlaatsrechten en passagegelden wegens het gebruik der Stads Groninger kanalen (1901), Oprichting van Waterschappen met één ingeland en andere waterschappen (1904), Geldleeningen en schulden der gemeente Groningen (1916), Dijk- en Waterschapsrecht in Groningen (1926) en De afscheiding en het algemeen reglement voor het bestuur der Ned. Hervormde Kerk van 1816 (1932). Zijn kennis blijkt verder uit de verschillende bijdragen die hij leverde aan juridische tijdschriften en zijn lidmaatschap van de Staatscommissie voor de waterstaatswetgeving, waarin hij van 1919 tot 1934 zitting had, en van de commissie tot het ontwerpen van de Wegenbelastingwet. Hij was ook erelid van het juridisch genootschap Pro Excolendo Jure Patrio, waar hij een intelligente en belezen
man bleek te zijn en een onderhoudend spreker.
Verder bouwde Sybenga aan een ruime bestuurlijke ervaring. Deze blijkt niet alleen uit het feit dat hij ruim dertig jaar naar grote tevredenheid de funktie van griffier kon uitoefenen, maar ook uit zijn voorzitterschap van de Gezondheidscommissie in Groningen, van het bestuur van de Nederlandse vereniging voor gemeentebelangen en van de Groninger afdeling van het Groene Kruis. Hij was ook bestuurslid van het Algemeen Provinciaal-, Stads- en Academisch ziekenhuis, van de kolonie voor gezinsverpleging van krankzinnigen in Beileroord, lid van de examencommissie voor de gemeente-administratie en curator van het gymnasium.
Zijn deskundigheid en zijn kernachtige stijl en de heldere en bondige formuleringen, waren redenen waarom men graag zijn advies inwon.
De lofuitingen bij zijn pensionering wijzen bovendien op uitstekende leidinggevende capaciteiten. Hij was een hardwerkende en hooggewaardeerde man.
Na zijn pensionering verhuist hij naar de Grote Markt nummer 36 en daar vandaan in 1930 naar Bergen in Noord-Holland waar hij een paar jaar later op 8 april 1935 overlijdt.
