Als oorlogskind (want geboren in 1941) opgegroeid in de grensstreek is mijn kennismaking met Duitsland mij altijd bijgebleven. Het moet omstreeks 1952 zijn geweest dat ik met vader en moeder en een deel van de rest van de familie mee mocht naar de jaarlijkse Kirmes in het grensdorp Rütenbrock. Die werd standaard gehouden rond de derde zondag van de maand augustus. Het was een belevenis!
Net als vele buurtgenoten gingen we er aan het begin van de middag op de fiets naar toe. Voor het eerst een landsgrens oversteken was een indrukwekkende gebeurtenis, temeer daar zoiets toen nog gepaard ging met paspoortcontrole. Als kind stond je toen nog bijgeschreven in het paspoort van één van de ouders. Vol verwachting klopte het hart of de dienstdoende douanier wel bereid was je de lokkende grens over te laten gaan.
Nadat die formaliteiten eenmaal waren afgehandeld, inclusief het met een daverende knal plaatsen van een stempel in het paspoort, mocht je de slagboom passeren en voor het eerst in je leven was je in het buitenland!
Aan de Kirmes kon je je met recht vergapen, alleen al vanwege de grote hoeveelheid aan attracties. Prijswinnaars liepen stralend rond met pluchedieren van megaformaat. De vraag, waar men die prullaria thuis moest bergen, kwam al helemaal niet bij je op, eerder nog betrapte je jezelf op een vorm van jaloezie.
Bij het vallen van de avond werd de terugreis aanvaard en in de daarop volgende week bleef de Kirmes nog dagenlang gespreksthema nummer één bij de avondmaaltijd.
Helemaal gelukzalig was het moment dat je op 16-jarige leeftijd van je ouders toestemming kreeg zélf een paspoort aan te vragen. Voorzien van dat document ging er een wereld voor je open. Denkende dat je met een bezoek aan Rütenbrock de wereld had leren kennen, werd nog op de dag van overhandiging van het paspoort koers gezet richting Duitse grens.
Aarzelend ging je ook gesprekken aan met leeftijdgenoten uit dat grensdorp en bij één van die ontmoetingen moet het woord ‘Fußball’ zijn gevallen. Meteen werd afgesproken een onderlinge wedstrijd te komen spelen. In het kerkdorp Zandberg waren enkele gezinnen met voetballende jongens woonachtig en besloten werd daarom onder de welluidende naam ‘Zandbergia’ op de uitnodiging in te gaan.
De families Specken en Mensen leverden alleen al zes spelers en het team werd gecompleteerd met onder anderen Hans de Boer, Jos Buurman, Lammert Krops en Hennie Meijer; allemaal spelende leden van de vv Musselkanaal. Voetbaltas onder de snelbinders, want voor vervoer was je op je fiets aangewezen en vol goede moed op weg naar Rütenbrock.
Het speelveld was abominabel; molshopen, konijnenholen, geitenkeutels, hobbelig tot en met en hoog gegroeid gras met, ter verhoging van de sportieve feestvreugde, akelig dicht langs de zijlijn een sloot, waarin de brandnetels welig tierden. Als je er al niet zelf in belandde, dan was het wel de bal en die moest dan wel weer uit de brandnetels tevoorschijn worden gehaald.
De sfeer was meteen heel gastvrij en hartelijk, met als climax een in de pauze op het veld onder de toeschouwers georganiseerde collecte. De opbrengst daarvan mocht na afloop door de spelers gezamenlijk worden verteerd in het aanpalende Gasthof Brümmer.
Nieuw voor ons was ook, dat onze Duitse gastheren vóór de wedstrijd, in wedstrijdtenue, in de middencirkel een yell aanhieven. Voor ons een volkomen nieuw fenomeen en volstrekt onverstaanbaar, maar wij wilden niet achterblijven en vormden ook een kring, armen om elkaars schouder en ter plekke bedachten we spontaan de tekst: "Wij begroeten onze tegenstanders van vandaag met 3 keer: Moi! Moi! Moi!"
Voetballiefhebbers weten dat een dergelijke ceremonie heden ten dage ook in Nederland gebruikelijk is, maar dan bedoeld als interne teambuilding. Wat mij verder is bijgebleven is een wat roestig bordje bij het veld, met daarop een tekst in de trant van: "degene, die de scheidsrechter beledigt, zal van het veld worden verwijderd." Tegenwoordig denk ik regelmatig dat deze bordjes ook nu nog hun nut kunnen bewijzen.
Deze ontmoeting heeft daarna nog diverse keren plaatsgevonden en heeft misschien wel de basis gelegd voor de talloze sportuitwisselingen, zoals deze vanaf de jaren zestig worden georganiseerd tussen sportclubs uit Groningen en het Weser-Emsgebied. Kortom, sport is een bindmiddel bij uitstek en één Europa krijgt met name vorm in de grensregio's.
