t Steernlaid, Pasen en Pinksteren.
ds. K. G. Pieterman
De avond
Zoals Kerstavond valt op 24 december, daags voor de Kerstmorgen, zal Driekoningenavond op 5 januari zijn. Bij bijzondere gelegenheden merken wij het, dat de avond hoort bij de volgende dag. Dat hebben wij van Israël, dat de avond hoort bij de volgende dag. Het klinkt bij herhaling op uit de lofzang op de schepping in Genesis 1. Na elke scheppingsdag is het refrein: Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag ……… Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de tweede dag enz.
In de kerstnachtdienst en in de paasnachtdienst viert de kerk de avond als het begin van de dag.
En toen wij kinderen waren, zaten wij op Sinterklaasavond voor de schoorsteenmantel te zingen en zetten daarna een napje met water en een etensbord met een blad boerenkool klaar voor het paard van Sinterklaas. De volgende dag op 6 december, de naamdag van de heilige Nicolaas, zagen wij ’s morgensvroeg wat Zwarte Piet ons die nacht door de schoorsteen had laten zakken.
Zijn wieg en zijn kruis
Verscheidene kerstliederen van Jezus’ geboorte zingen in één adem door van zijn kruis. Er is een kindeke geboren op aard’, ’t kwam op de aarde en ’t had er geen huis, ’t kwam op de aarde en droeg al zijn kruis. (Wie Zingt Mee lied 60) En: In Bethlehems stal lag Christus de Heer; zijn wieg was een kribbe, zijn troon was een kruis. (WZM 73) En: Kind, nu wij om U vrolijk zijn, vlakbij uw kribbe gaapt het graf. (Liedb. Gez 155)
Misschien herinneren zulke liederen eraan dat ooit het evangelie begon met Pasen: de Heer is opgestaan. En het verkondigen van zijn opstanding gaat niet zonder te vertellen van zijn kruis. En toen dat evangelie van kruis en opstanding de wereld in ging, nam het in zijn kielzog de verhalen mee van Jozef en Maria, van Jezus’ geboorte, de herders in het veld, de Wijzen uit het oosten en Simeon en Anna.
En de evangelisten hebben de verhalen, elk op eigen manier, met een eigen selectie, opgeschreven, in chronologische volgorde.
In ca. 170 na Chr. schreef Tatianus de Syriër het diatessaron. Hij maakte van de 4 evangeliën één doorlopend verhaal, een evangeliënharmonie. Tussen 825 en 850 schreef in ons taalgebied een onbekende oud-Saksiche dichter ook zo’n verhaal gebaseerd op 4 evangeliën, de Heliand. In dit Christusgedicht volgen Kerst, Driekoningen en Pasen elkaar op (de oude handschriften breken daar af, één handschrift heeft nog een fragment over Hemelvaart).
En zo is het gebleven, de herders van Lucas, de drie koningen van Matteüs, de verzoeking in de woestijn van Marcus, de bruiloftsgasten te Kana en het gesprek met Nicodemus van Johannes, de zeven kruiswoorden van de verschillende evangelisten, Pasen, Hemelvaart uit Handelingen en Pinksteren, ze kregen in latere doorlopende evangelieverhalen allemaal hun plekje, o.a. in handboeken bijbelse geschiedenis. En ook in kinderbijbels.
Het kruisbeeld
t Steernlaid is opgetekend in 1915. Het werd gezongen door een vrouw in de rij aardappelzoekers op een stuk land bij Harkstede. De opsteker die met zijn brede greep de aardappels boven de grond licht, zong mee. Maar het lied is veel ouder, het komt uit de Middeleeuwen, van vòòr het optreden van Luther, Zwingli en Calvijn. t Steernlaid heeft zich als Middeleeuws lied op het Groninger platteland, o.a ook in de omgeving van Noordbroek, weten te handhaven, in een gebied waar een crucifix nergens in het openbaar te zien is, hier en daar in een huis en in een enkele parochiekerk. En het is in een lange mondelinge traditie overgeleverd van geslacht op geslacht.
De verbinding die menig kerstlied maakt tussen Jezus’ geboorte en zijn kruis, is ook te horen in t Steernlaid: het was op een Driekoningenavond dat de heilige Maria Magdalena aan de voeten van ’t kruisbeeld lag.
Het volkslied en het geestelijk lied
Soms kennen wij op wijs van een geestelijk lied ook een andere tekst. Op de melodie van het Groninger volksliedje ‘Suze, Suze Naanje, ik waige die’ bestaat ook een geestelijk lied: Wonen, overal nergens thuis. De nieuwe tekst is van Huub Oosterhuis. (Gezangen voor Liturgie 551)
In de Middeleeuwen gebeurde dat ook. Een geestelijk lied dat gemaakt is op de wijs van een bestaand volksliedje heet een contrafact. Vòòr de invoering van het Geneefse psalmboek werden er verscheidene psalmen gezongen op de melodie van bestaande volksliederen.
Wij weten niet of de tekst van t Steernlaid gemaakt is op de melodie van een bestaand volkslied. Maar zoveel is wel duidelijk, dat t Steernlaid als geestelijk lied mee overgeleverd is in het geheel van volksliederen.
Het kruis
Het kruis is het ene moment in Jezus’ leven. Het is het ene moment in de geschiedenis, op die ene dag, op Stille Vrijdag. Jezus’ laatste woorden zijn zijn intiemste woorden. Het zijn woorden van vergeving: Vader vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen. Woorden van omzien naar elkaar: Johannes, nu is Maria jouw moeder. Van toekomst: heden zul je met mij in het paradijs zijn. En van vertrouwen op God: Vader in uw handen beveel ik mijn geest, en: het is gedaan. Dan wordt het stil.
Overal in de wereld, in alle eeuwen, roept het kruis ons die dag op, het beeld van de Gekruisigde, zijn woorden. Maria Magdalena die, ziende op het kruis, gelooft dat haar zonden haar zijn vergeven, hoort op dat eigenste ogenblik van Pasen zingen: sta nu op van de bittre dood.
Maria en wij
Wie hoort verkondigen van opstaan, en gelooft, wil weten van de weg waarop de voet kan gaan. Maria Magdalena geeft het aansprekend voorbeeld, zij gaat naar het kerkje. Ze hoeft niet naar de grote kerk van de bisschop of naar de kathedraal van de paus, het Woord klinkt vlakbij in elk kerkje. Het Woord onthult ons onze oorsprong, legt een zin in ons bestaan, en neemt ons mee op weg.
Onder het zingen merkt de zanger van t Steernlaid dat wij meeleven met Maria. t Steernlaid laat ons met Maria opgaan om naar Gods woord te luisteren. En zo ziet de zanger ons gaan: zij kwamen al dichter bij het kerkje.
Onderweg al, of in de kerk, zien wij de zoete naam van Jezus. Dat is het zien van wat je met je oren kunt horen: Er ruist langs de wolken een lieflijke naam, geen naam is er beter en zoeter voor ’t hart. En onder de verkondiging van het Woord zien wij voor ons oog het beeld verrijzen van Pinksteren: een witte vlag die wappert hoog aan de mast. De Geest van God blaast ons scheepje over de levenszee.
Zij zagen een scheepje zeilen, ’t scheepke onder Jezus’ hoede, met Maria Magdalena aan boord. Zij verdwijnt in ongeziene verten. En de zanger wenst ons, op ons scheepje, met al het goede van Driekoningen, Stille Vrijdag, Pasen en Pinksteren, een behouden vaart.
t Steernlaid
Het was op een Driekoningenavond,
het was op een Driekoningendag,
dat de heilige Maria Magdalena
aan de voeten van t kruisbeeld lag,
dat de heilige Maria Magdalena
aan de voeten van t kruisbeeld lag.
Al uw zonden die zijn u ja vergeven,
en al waren zij nog zo groot,
o, gij vrome Maria Magdalena,
sta nu op van de bittre dood.
O, gij vrome Maria Magdalena
sta nu op van de bittre dood.
En zijn alle zonden mij vergeven,
en al waren zij nog zo groot,
naar het kerkje zo wil ik mij begeven
om te luistren al naar Gods woord,
naar het kerkje zo wil ik mij begeven
om te luistren al naar Gods woord.
En zij kwamen al dichter bij het kerkje
en zij bleven verwonderd staan.
Toen zagen zij de zoete naam van Jezus
op een houten kruisje staan.
Toen zagen zij de zoete naam van Jezus
op een houten kruisje staan.
En zij zagen een scheepje zeilen,
ja, een scheepje met witte vlag.
En daarop stond Maria Magdalena,
al waar Jezus de stuurman was.
En daarop stond Maria Magdalena,
al waar Jezus de stuurman was.
Luisterversie: Veldopname uit 1954
http://www.liederenbank.nl/sound.php?recordid=70451&lan=nl
t Steernlaid is overgenomen uit: P. Groen, Oude en Nieuwe Groninger Liederen, opgeteekend, verzameld en van enkele aanteekeningen voorzien, met houtsnedes van Nico Bulder, Delft 1930, p. 79.
Pieter Groen verzamelde niet alleen, hij deed zelf ook veel veldwerk. Met de ondertekening van De Muller van Vaaierhoezen schreef, naar later bleek, Jan Jacobs Loots in Maandblad Groningen van 1918 een artikel naar aaleiding waarvan Groen een correspondentie met hem opzette. Het leidde ertoe dat Groen op een zaterdagmiddag naar Vierhuizen kwam en daar de 80-jarige Loots ontmoette. Die zong toen een aantal oude volksliederen, o.a. van De Ruter en de Meid, zie: Oude en Nieuwe Groninger Liederen, p. 36 e.v.)
De Heliand is in het Nederlands vertaald door Jaap van Vredendaal, Amsterdam 20072, en eerder in fragmenten door Hendrik Vreekamp in: Zwijgen bij volle maan, Zoetermeer 2003, p. 130- 157.
Pieter Groen is in 1878 in Noordbroek geboren. Hij was onderwijzer in Sluis, Delft en ’s-Gravenhage; van 1910- 1920 schoolhoofd in Groningen, en van 1920- 1929 inspecteur van onderwijs in Delft. Hij was een zwager van Kornelis ter Laan. Hij overleed in 1946 in Wassenaar.
Ds. K. G. Pieterman
