De dagelijkse dingen in de jaren zestig lijken ineens speciaal omdat de tijden en de omstandigheden zijn veranderd. Hier volgen een paar herinneringen aan die tijd. Ik woonde toen aan de Kochstraat in Corpus den Hoorn te Groningen.
Kleding: oud maar niet versleten
We hadden het vroeger thuis niet slecht, maar ik moest wel de kleding afdragen waar mijn zuster uitgegroeid was. Ik was wel vier jaar jonger dan haar, maar flink uit de kluiten gewassen en al snel zat ook bij mij het kruis van de maillot op de knieën. Ophijsen hielp helaas maar even dus daar had je tussen alle bezigheden een dagtaak aan. Met Pasen mochten ze eindelijk uit! Dan werden we in het nieuw gestoken. Poaskepronk was bij ons traditie. We liepen dan met strikken in het haar, lakschoenen aan en door mijn moeder zelf gebreide kniekousen (kabels of ajour). Wat waren we trots, mijn zus en ik, maar wat waren onze knieën blauw. Eigenlijk was het nog veel te koud, toch hadden we het er voor over. De uitspraak ‘wie mooi wil zijn moet pijn uitstaan’ heb ik in mijn jeugd nog vaak gehoord.
Eten: voller dan vol
Er werd bij ons iedere dag tussen de middag warm gegeten. Geen gemaksvoer, dat waren maar stadse fratsen. Op zondag extra lekker; draadjesvlees, bloemige piepers met zondagse groenten (bloemkool met een sausje of sperzieboontjes) en een zelfgemaakte pudding. Mijn opa had een stukje land en was al die jaren onze trouwe groenteleverancier. Hij teelde biologisch alleen heette dat toen nog niet zo. Mijn moeder was niet echt een keukenprinses, maar het eten dat op tafel kwam, moest gezond en vooral mager zijn. Zij, het pedagogisch voorbeeld van matigheid, werd bevangen door het ‘halva-virus’. Gevoelig als ze was voor de invloed van de reclame, kocht ze werkelijk alles wat er in de zeventiger jaren aan halva-producten op de markt werd gebracht. Toen ook de slagroom werd vervangen door klop-klop kwamen wij in opstand, nu ging ze echt te ver! Feest- en verjaardagen waren namelijk een van de weinige dagen dat alle gezonde voedingsregels overboord werden gegooid. Alle remmen gingen los! Er werd gegeten totdat iedereen zowat ontplofte.
Lichaamsverzorging: er kan nog meer bij
Lichaamsverzorging was bij ons heel eenvoudig; elke dag wassen met een washandje en een keer per week onder de douche. We hadden er weinig voor nodig; een stukje Vinolia zeep en een fles Palmolive shampoo. Douchegel bestond toen nog niet, laat staan dat je wist wat scrubben was. We hadden éém blikken doosje Nivea crème (zo’n blauwe met witte letters) en daar deed het hele gezin mee. Nu staat mijn badkamerplankje vol met cosmetica. Ik heb er zelfs nog een bij moeten timmeren om alles kwijt te kunnen.
Ziek zijn: het kan erger
Mijn ouders waren bij ziekte erg bezorgd en wierpen dan een van hun huismiddeltjes in de strijd. Niet allemaal even effectief moet ik zeggen. Als ik kou had gevat en pijn in mijn keel had, smeerde mijn vader mijn borst in en bedekte dat met een flanellen lap. Voor het slapen gaan kreeg ik dan een opgerolde theedoek om mijn nek (‘zit ie niet te strak?’) met daar tegenaan een warm nat washandje voor het broeien. Halverwege de nacht werd ik dan wakker met een uitgelubberde theedoek om de nek. Het wonderwashandje was veranderd in een kil en klam lapje waar je juist rillingen van kreeg. Als ik nu zo terugdenk, vraag ik me af of dat washandje wel nut heeft gehad. Ik heb zo mijn bedenkingen
Spelen: leef je uit!
Als kind speelde ik veel buiten. Hutten bouwen in het moeras, waar nu het Martiniziekenhuis staat. Naar de Papiermolen met de zwemtas over de schouder, lopend over de weg der Verenigde Naties, de ringweg die toen nog in aanbouw was. Als het winter was, schaatsen op de vijver totdat je vingers en tenen er zowat afvroren van de kou. Dan was er mijn vader die ze warm wreef en altijd weer tot leven wekte. Een pijnlijke sensatie, maar wel een heel dankbaar gevoel als dat weer achter de rug was. In de zomer pootjebaden in de siervijver van het oude Gasunie gebouw totdat de portier je op z’n beveiligingscamera zag, het gebouw uitkwam en je wegstuurde. Zonder grote mond en met je schoenen en sokken in de hand droop je dan af…
Televisie: leef je in
Natuurlijk speelden wij niet alleen buiten, maar keken ook tv. Niet overmatig, want overdag had je alleen het testbeeld. Een mooi ding, maar het bewoog niet dus daar was je gauw op uitgekeken. Op zaterdagmiddag waren er kinderprogramma’s op tv. daar leefde je echt naar toe. Ik was dol op ‘Ricky & Slingertje’ en de spannende belevenissen van ‘Paulus de boskabouter’. Later zat ik aan de buis gekleefd bij series als ‘Lassie’, ‘Flipper’ en ‘doctor Ed (The speaking horse)’. Ik leefde ontzettend mee met al die kinderen die zich helemaal rot renden in het programma Stuif-es-in. (vanuit theater ‘’t Spant’ in Bussum). Toen ik de dierenseries ontgroeid was, hing ik zondag ‘s middags op de bank voor de tv. Ik was naar mijn idee rijp voor het grotere werk. We hadden voor het eerst een kleuren tv en ik keek naar oude zwart/wit films uit Hollywood. Ik hield me toen nog niet zo bezig met goed uitgewerkte dialogen, maar liet me meer verblinden door alle pracht en praal. In het Duits nagesynchroniseerde westerns gaven toen al wel aanleiding tot hilariteit. Het blijft vreemd om John Wayne te horen zeggen: He du Schweinhund, gib her der Kanone! Als ik nu sommige uitzendingen van toen weer terug zie, kijk ik met een glimlach hoe klungelig ze soms zijn gemaakt en hoe onnatuurlijk er wordt geacteerd. Toch geniet ik er van; ze hebben hun eigen charme, de sfeer van die tijd.
School: wie schrijft die blijft
De lagere school, daar heb ik goede herinneringen aan. Ik vond het leuk om nieuwe dingen te leren en was ontzettend trots toen ik kon schrijven. Al die losse lettertjes en dat mensen dan begrepen wat daar stond. Geweldig vond ik het! Toen ik dat onder de knie had, werd het zaak om mooi en vlekkeloos te schrijven met een kroontjespen, dan kreeg je een poëzieplaatje in je schrift. Tien van die plaatjes waren goed voor één keer schrijven met gekleurd inkt. Het beloningsysteem werkte, ik deed vreselijk mijn best. Een paar klassen hoger werd het echt serieus daar kreeg je geen plaatjes meer, maar dictees met zorgvuldig bedachte instinkertsjes van de juf. Geschiedenis en aardrijkskunde vond ik interessant, rekenen was een regelrechte ramp. Een van de leukste momenten van de week waren toch wel de handwerkuurtjes. Knutselen voor de jongens, breien en borduren voor de meisjes; de rolpatronen waren nog intact. Het aller leukste moment van de week was de vrijdagmiddag, daar keek je echt naar uit. Van 15.00-16.00 uur las de meester altijd voor. Ieder week weer een stukje tot dat het vakantie was. Jarenlang heb ik niet geweten hoe het af zou lopen met Sjakie in de chocoladefabriek. Ondertussen zijn er heel wat jaren versteken sinds de lagere school en weet ik inmiddels wat een vreemd heerschap die Willie Wonka is.
