Het is 1986. De zomervakantie is voorbij. Het is zover; voor het eerst ga ik naar het voortgezet onderwijs, naar de mavo. Elke dag zal ik op de fiets van Blijham naar Bellingwolde rijden, naar de nieuwe school. Ik vind het heel spannend, zo erg dat ik me zelfs wat misselijk voel. Het is nog vroeg in de morgen als ik afscheid neem van mijn moeder, de deur uit naar een nieuwe weg in mijn leven.
Op de nieuwe school zullen meest onbekende mensen zijn, maar gelukkig gaan er een paar bekende gezichten met mij mee. Wat mij een vertrouwd gevoel geeft, een stukje zekerheid dat ik niet helemaal alleen ben. Het is de tijd van wijde kleren, felle kleuren, getoupeerd haar, nederpop, schoudervullingen, veel make-up en gelakte nagels. Erg leuk, vind ik, al die nieuwe dingen geven me een gevoel dat ik niet meer een klein meisje ben, maar dat ik ouder word.
De school bevindt zich in het midden van Bellingwolde, een dorp waar ik niet vaak ben geweest, alleen af en toe een keer op visite bij vrienden van mijn ouders. En vroeger op de lagere school gingen we met de bus naar Bellingwolde voor zwemles. Ook is Bellingwolde voor mij de doorsteek naar de grens met Duitsland. Daar ging ik met mijn vader en moeder wel eens naar toe om te winkelen.
Als kind vond ik het altijd heel spannend als we bij de grensovergang aankwamen. Zouden we worden gecontroleerd? Mochten we wel doorrijden? Als we doormochten, en we daadwerkelijk in Duitsland waren, gaf me dat een bijzonder gevoel. Alsof we heel ver van huis waren, terwijl Duitsland toch bijna naast de deur ligt.
De mavo van Bellingwolde ligt aan een zijstraatje van de Hoofdweg die door het dorp loopt. De Hoofdweg is een hele lange hobbelige klinkerweg, met aan weerszijden bomen en daarachter mooie statige herenhuizen. Ze ademen rust uit.
Het is wennen, die eerste tijd. Maar ik ontmoet andere kinderen en er ontstaan vriendschappen, die soms tot een hechte band uitgroeien, vriendschappen waarin je alles mee kan delen, waarin je de ander steunt en door de ander gesteund wordt. Waar één blik soms al genoeg is om elkaar te begrijpen.
Voor het eerst krijg ik een echt lesrooster en een agenda, die later meer een krabbelschrift en plakboek wordt, bezaaid met plaatjes van mijn favoriete pop- en filmsterren. Met kleine boodschappen en verwijzingen naar stille liefdes. Met krabbels van klasgenootjes, waarover we tijdens de les vreselijk moeten lachen of zelfs helemaal in een deuk liggen. Aan het eind van het schooljaar is het een waar boekwerkje over het afgelopen jaar.
Als de bel gaat na het laatste lesuur, pak ik mijn spullen bij elkaar en ren naar mijn fiets. Terug naar huis! Ik probeer mijn volle boekentas zo goed mogelijk op de bagagedrager vast te maken. Wat niet meevalt omdat de tas op de één of andere manier altijd naar één kant gaat hangen. En de hobbelige klinkerweg die ik af moet rijden helpt ook niet mee dat de boel lekker blijft zitten.
Het fietsen tussen huis en school, school en huis is niet altijd even leuk.Soms regent en waait het ontzettend. In de wintermaanden is het nog heel donker als ik ’s ochtends van huis ga, en schemert het als ik weer naar huis terugkeer.
Op de heenweg naar school fiets ik in Blijham eerst nog tussen de huizen. Dan komt er een stuk door het open veld, waar eerst nog enkele boerderijen staan, maar gaandeweg niet meer. Alleen vlak land. Ik fiets over het grijze asfalt. Op de weg naast me razen de auto's voorbij. In de verte zie ik de boomtoppen van Bellingwolde. In de koude, donkere wintermaanden zijn de velden nat en bruin. Maar als het voorjaar zich aankondigt, trekken de boeren naar de velden om het land te bewerken en klaar te maken om gewassen te zaaien die vervolgens in een mooi gekleurd tapijt veranderen.
Als de boeren op het land werken moet ik uitkijken voor de grote tractoren die op de weg voorbij komen, soms met gevaarlijk uitziende machines erachter. Als het regent vormen die brede grote wielen met grove profielbanden dikke moddersporen op de weg. Als het lange tijd nat blijft, spettert die modder alle kanten op.
Het vervelendste vind ik de tocht naar school, als het regent. Als ik me thuis in een naar rubber ruikend regenpak heb gehesen en tegen de wind in, in een stromende regen, bij de steile brug onderweg omhoog moet fietsen. Eigenlijk kan ik net zo goed bij die brug omhoog lopen, dat gaat net zo snel, maar ik wil en zal al fietsend boven op die brug komen.
De regen loopt langs mijn gezicht, de druppen vallen van mijn neus en het water stroomt over mijn regenbroek zo op mijn schoenen. Via de oogjes van de veters dringt het water mijn sokken binnen.
Maar gelukkig, af en toe ga ik met de ‘thuistaxi’ en word ik naar school gebracht door mijn vader, als het weer heel erg slecht is.
De weg tussen Blijham Bellingwolde zet zich na de mavo door, want mijn vriendje woont in Bellingwolde. Deze liefde hebben we jaren later bezegeld in het gemeentehuis van het dorp. Later bezoeken we er mijn schoonouders. Maar nu mijn schoonouders niet meer in Bellingwolde wonen, komen we er nog maar zelden. Eigenlijk alleen als we via het mooie Bellingwolde een doorsteek maken richting de Duitse grens.
