Vanaf de jaren vijftig was de landbouw enorm in beweging. Mechanisatie en toenemende sanering waren het gevolg van de landbouwpolitiek. Bedrijven moesten saneren om de productiviteit te verhogen. Daardoor werden veel betaalde arbeidskrachten overbodig in de landbouw. De tractor werd de vervanger van het paard.
Bij ons thuis kwamen de grote veranderingen halverwege de jaren zestig. Wij woonden op een boerderij in Oude Pekela, een echt ‘strokartondorp’. Mijn vader had ca. 33 ha. landbouwgrond tot zijn beschikking. Het merendeel bestond uit bouwland en een klein deel was weiland. Hij verbouwde fabrieksaardappelen, suikerbieten en verschillende soorten graan, zoals bijvoorbeeld tarwe, gerst, rogge en haver. Verder had hij zes koeien, twee werkpaarden, een renpaard en een kleine trekker. Samen met zijn vaste medewerker runde hij het bedrijf. Alle werkzaamheden waren arbeidsintensief, zoals bijvoorbeeld het melken, de verzorging van de paarden, het uitmesten van de stallen, het bewerken van de akkers en het onderhoud van de landbouwmachines. In de oogsttijd was het ‘achter’ een topdrukte.
Nadat de graanoogst binnen was gehaald, kwam er een grote dorsmachine op het erf. Daarin werd het kaf van het koren gescheiden. Ladingen stropakken belandden op een grote stapel in de kapschuur achter de boerderij. In het najaar verkocht mijn vader het stro aan de strokartonfabriek ‘De Vrijheid’ in Veendam. De strokartonfabrieken kochten het liefste rogge- of tarwestro. Om stro te kunnen leveren, moest mijn vader aandeelhouder zijn van de fabriek die een coöperatie was. Het graan verkocht hij aan commissionairs die het op de Korenbeurs in Groningen aan de man brachten.
De aardappeloogst begon meestal in september. De meeste aardappelen werden tijdelijk opgeslagen achter de boerderij. Daar lag dan een enorme berg die in het najaar werd afgedekt met stro. Tot begin jaren zestig werden de aardappelen met pramen door de wijken en kanalen naar de aardappelmeelfabiek vervoerd. Daarna werden ze met vrachtwagens afgevoerd. Mijn vader leverde zijn aardappelen aan de aardappelmeelfabriek ‘Alteveer en Omstreken’ dat later werd overgenomen door Avebe.
Halverwege de jaren zestig besloot mijn vader het roer om te gooien en zich alleen te richten op de akkerbouw. Hij verkocht alle koeien en paarden en kocht een grote tractor. Zijn vaste medewerker werd overbodig. Ik herinner me dat ik dat als kind helemaal niet leuk vond. Opeens was het heel stil in de schuur. Waar waren opeens de koeien en paarden gebleven? Waarom kwam de medewerker niet meer?
Mijn vader heeft echter nooit spijt van zijn beslissing gehad. Sindsdien hoefde hij immers niet meer ’s ochtends vroeg en ‘s middags om vier uur de koeien te melken. Hij had veel meer ‘vrije tijd’ gekregen.