Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Verlichting
Gecontroleerd door redactie

Verlichting

[800-1594, 1795-1914]
Afbeelding bij dit verhaal

De Verlichting sloop vanuit Europa langzaam binnen in de achttiende eeuwse Republiek. Pas in het laatste kwart van die eeuw domineerde de vooruitgangsgedachte. In de decennia daarvoor ontwikkelde zich een variant van de Verlichting die specifiek was voor de lage landen. Er werd gestreefd naar harmonie tussen het geloof in vooruitgang en de starre waarden van het christendom. De Verlichting was geen sociale revolutie en de verlichte denkers streefden niet naar democratie. In een tijd van economisch en maatschappelijk verval verlangden zij terug naar vervlogen tijden.

Verlichtingsdenkers hadden een optimistische kijk op het leven en op de mens. Ze geloofden in vooruitgang en streefden naar een algemene verbetering van de wereld. De mens was, volgens hen, in staat zichzelf te verbeteren door gezond verstand (rede) te gebruiken en door oordelen te baseren op wetenschappelijke bevindingen. Dit alles in combinatie met een deugdzaam leven leidde tot menselijke beschaving en algehele vooruitgang. De Verlichting was deels een reactie op de dogma’s en onverdraagzaamheid van het katholicisme en de verschillende religieuze stromingen die zich sinds de reformatie hadden ontwikkeld.

De meeste verlichtingsdenkers beschouwden alle christenen in principe als gelijkwaardig. Hun afkeer van een dogmatisch christendom betekende niet dat de aanhangers van de Verlichting niet religieus waren. Vooral in de lage landen ontwikkelde zich tot 1750 een eigen versie van de Verlichting die aansloot bij het christendom. Zo konden er liberale, rationeel denkende predikanten bestaan. De Verlichte predikanten in Groningen woonden voornamelijk in het westelijk deel van de provincie. Binnen de gereformeerde kerk (de latere Nederlands Hervormde kerk) werden zij en hun aanhang ‘rekkelijken’ genoemd. Tegenover deze groep stonden de ‘preciezen’. Predikanten uit deze conservatieve hoek leefden merendeels in het oosten van het Groningse gebied. De precieze stroming had sinds 1618 de overhand in de gereformeerde kerk. Zij geloofden dat de mens van nature zondig is. De precieze gereformeerden predikten de terugkeer naar een innerlijk geloof waarbij de gelovige de zonden van de mensheid persoonlijk moest ‘bevinden’. Hierom worden zij ook wel ‘bevindelijken’ genoemd. Om de rekkelijken te bestrijden begonnen de bevindelijk gereformeerden een ‘nadere reformatie’. De predestinatieleer was in deze kringen populair. Alleen God bepaalde, volgens deze stroming, wie in de hemel kwam. Hierop had de gelovige zelf geen positieve invloed.

Naast een religieuze was de Verlichting ook een politieke kwestie. Na de hoogtijdagen van de ‘gouden’ zeventiende eeuw was de Republiek in de achttiende eeuw economisch en maatschappelijk op haar retour. Het bestuur van de steden en de plattelandsdistricten was in handen van regenten en jonkers die steeds meer een gesloten groep vormden en over het algemeen vooral hun eigen belangen nastreefden. In het midden van de eeuw kwam in de hele Republiek de bevolking in opstand tegen deze machthebbers. Ook in het Groningse gebied keerde men zich in 1747 en 1748 tegen de stedelijke regenten en de Ommelander jonkers. De ontwikkelde burgerij in de steden en de bovenlaag van de boeren op het platteland eisten inspraak in het lokale bestuur. Op een democratie, zoals wij die kennen, stuurden deze demonstranten niet aan. Ze wilden dat de stadhouder de oligarchie van regenten zou doorbreken. Gedwongen door de geweldsuitbarstingen stemden de regenten van Stad en Lande in met een nieuw bestuursreglement. In dit Reglement Reformatoir van 1749 wordt ondermeer het stadhouderschap erfelijk gemaakt en kreeg Willem IV het recht voortaan vrijwel alle bestuurders te benoemen.

Ondanks de hervormingen veranderde er in feite niets aan de bestuurlijke situatie. Burgers en boeren hadden geen medezeggenschap verworven en de onvrede nam toe. In de periode 1760-1770 ontwikkelde zich een verlichte vaderlandscultus (het patriottisme) die een nostalgisch herstel van het vaderland beoogde. De patriotten streefden naar een heropleving van de Republiek en zochten daarbij ideologisch steun bij de Franse vorm van de Verlichting. Overal in het land, ook in Groningen, werden genootschappen en gezelschappen opgericht die mensen stimuleerden om samen met anderen hun kennis van de wereld te vergroten en hun deugdzaamheid te verwerkelijken. Na 1780 laaide het verzet opnieuw op. Willem V gaf geen gehoor aan de wens om meer inspraak. De patriotten kwamen tegenover de aanhangers van de stadhouder te staan, de zogenoemde prins- of oranjegezinden. De stad was overwegend patriottisch, de Ommelanden overwegend orangistisch. Beide partijen bewapenden zich en probeerden hun meningsverschillen met geweld te beslechten. Ook de drukpers gebruikten zij als actiemiddel. Doormiddel van kranten en periodieken probeerden beide kampen de publieke opinie te beïnvloeden. In 1787 werden de patriotten in heel de Republiek tijdelijk verdreven door Pruisische troepen . Hierna volgde de zogenoemde oranjerestauratie. Alle patriottische regenten werden vervangen door prinsgezinden. Soms ging dit gepaard met geweld. De patriotten vluchtten naar het buitenland of opereerden in eigen land ondergronds verder.

In 1789 vond in Frankrijk een revolutie plaats ten gunste van de Verlichting. Niet veel later, in 1795, viel het Franse leger de Republiek binnen en kwamen opnieuw de patriotten aan de macht. Zij voerden een aantal hervormingen door, zoals gelijkheid voor de wet en gelijke rechten voor alle godsdiensten. In 1806 werd de Republiek een Frans koninkrijk onder leiding van Lodewijk, de broer van Napoleon. Vier jaar later trok Napoleon het gebied bij zijn nieuwe keizerrijk. De Fransen centraliseerden het bestuur, voerden de dienstplicht in, gaven ons achternamen en creëerden de Burgerlijke Stand. In 1813 stortte dat rijk in, waarna de zoon van stadhouder Willem V terugkeerde naar Nederland en koning werd (Willem I) van een zelfstandig koninkrijk. Met de komst van het koninkrijk kwam een einde aan de politieke macht van de patriotten, maar niet aan hun verlichtingsidealen. De genootschappen en gezelschappen bleven ook na 1813 voortbestaan. De boeren op het Groningse platteland die na 1790 rijk waren geworden, ontwikkelden zich tot verlichte mannen (en soms vrouwen). Hun predikanten kozen voor een vrijzinnige interpretatie van het geloof. Uiteindelijk zouden de boeren ook hun verlicht-politieke idealen verwezenlijken dankzij de liberale grondwet van Thorbecke in 1848.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items