Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Volksoproer
Gecontroleerd door redactie

Volksoproer

[800-1594]
Afbeelding bij dit verhaal

Ook in 1525 kwam het stadsvolk in Groningen in verzet tegen de heren op het raadhuis. De Gelderse stadhouder Jasper van Marwijk werd ervan verdacht op de een of andere manier de hand te hebben gehad in de onrust. Hij zou valse informatie hebben rondgestrooid en de Groningers tegen hun stadsbestuurders hebben opgehitst. Hij wilde het gewone stadsvolk voor zich winnen om zo sterker te staan tegenover de zelfbewuste heren van de raad, die niets moesten hebben van een vreemdeling die zijn neus in hun zaken stak.

Kort tevoren had de raad nieuwe accijnzen ingevoerd en Van Marwijk had het verhaal verspreid dat de hoge heren op het raadhuis de opbrengsten ervan in hun eigen zak staken. Omdat er geen bronnen zijn die ons iets kunnen vertellen over het hoe en waarom van deze nieuwe heffingen, kunnen we slechts gissen naar wat er werkelijk aan de hand was. Vermoedelijk zijn de nieuwe belastingen ingevoerd omdat de stadskas leeg was als gevolg van de oorlogen die men had moeten voeren om groot onheil te voorkomen. De hertog van Saksen had zijn best gedaan om Groningen te veroveren, maar de Groningers hadden dit door een uiterste krachtsinspanning weten te verhinderen.

Hoe dit ook zij, de toestand van de stadsfinanciën moet in de jaren twintig van de zestiende eeuw belabberd zijn geweest. Een ‘democratische’ controle op het doen en laten van de stadsrentmeester ontbrak, zodat zeker onder het volk niemand wist hoe de vlag erbij hing. De gewone man zag alleen dat de heren op het raadhuis de lasten verzwaarden. Het verhaal dat het geld in de zakken van diezelfde heren verdween zou daarom, zo werd gedacht, best wel eens kunnen kloppen. De leiders van de gilden, de ‘bouwmeesters’ Jacob Smit uit de Ebbingestraat en Rotger Schuitemaker uit de Katrijp (tegenwoordig Schuitemakersstraat) riepen op vrijdag 11 augustus 1525 hun achterban bij elkaar en vertelden wat ze over de accijnzen hadden gehoord. De aanwezigen besloten dat de nieuwe accijnzen afgeschaft moesten worden en dat er een nieuwe regeling moest komen voor het beheer van de stedelijke eigendommen. Ze kozen een deputatie van vierentwintig personen die deze eis aan de raad moesten overbrengen en mee moesten helpen bij het opzetten van de nieuwe regelingen.

Daags daarna verschenen de bouwmeesters en hun vierentwintig medestanders op het raadhuis om burgemeesters, raad, oude raad en gezworen meente duidelijk te maken wat de gilden en burgers besloten hadden en te eisen dat Groningen ‘een vrije stad’ moest zijn, zoals ze altijd geweest was. Op de Grote Markt stond een menigte van wel duizend man of meer te wachten op de uitslag van het beraad van de hoge heren, anderen zaten in de bierkelders en ‘dronken zich vol’.

De raadsheren waren door dit ongewone optreden van de volksvertegenwoordigers onaangenaam getroffen en voelden zich ook geïntimideerd door de aanwezigheid van zoveel ontevreden stadjers op de markt. Ze zeiden daarom dat de bouwmeesters en hun medestanders zich moesten terugtrekken om hun achterban aan te zeggen dat ze weg moesten gaan en tot morgen geduld moesten hebben. Ondertussen zouden de burgemeesters, de oude en nieuwe raad, de gezworen meente en alle anderen die in zulke zaken geraadpleegd werden, op zoek gaan naar een andere manier om de financiële problemen op te lossen. Na enig onderling overleg antwoordden de bouwmeesters dat ze de wachtende massa niet durfden teleurstellen. Wanneer ze niet meteen met een gunstig besluit naar buiten kwamen, zouden ze zelf hun leven niet zeker zijn. Er werd nog wat heen en weer gepraat, en het slot van het lied was dat ook de bouwmeesters ervan overtuigd raakten dat onmiddellijke inwilliging van hun verlangens eigenlijk onmogelijk was. Uit angst voor de massa buiten hielden ze echter vast aan hun eis: de accijnzen moesten vandaag nog worden afgeschaft en dit besluit moest meteen op de traditionele wijze met klokgelui door burgemeesters en raad worden afgekondigd. Ze kregen daarop ten antwoord dat ze dat dan maar zelf moesten doen. ‘Nee’, zeiden de bouwmeesters, ‘dat hoort niet zo, dat moet u doen. Maar wacht daar ook niet langer mee, want dat zal u bezuren.’ Ondertussen was de massa op de markt het wachten moe. De voorhoede ervan drong op naar het raadhuis, ging de trap op naar de eerste verdieping en ramde de afgesloten deur van de raadkamer open met een zware houten bank. Het leek erop dat de oproerkraaiers alle aanwezigen ter plekke zouden doodslaan, daartoe aangemoedigd door de woedende menigte buiten. Daaruit klonk geschreeuw op als ‘Sla dood, sla dood’, en ‘Gooi die verraders het raam uit!’, terwijl er dreigend met messen werd gezwaaid. De raad zag dat hij geen keus had en presiderend burgemeester Hilbrand Rolteman verklaarde dat alle eisen zouden worden ingewilligd. Hij vroeg de bouwmeesters naar buiten te gaan en het volk tot bedaren te brengen. Even later deed hij inderdaad onder klokgelui de afkondiging dat alle accijnzen waren afgeschaft en dat Groningen een vrije stad was.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.

Verwante items