De aanslag van de gemeentebelasting, de 0.Z.B., zit weer in de brievenbus. Altijd hoop je dat het mee zal vallen, altijd is het teveel. Natuurlijk is het een goed ding dat er riolering is en de vuilnisophaaldienst rijdt ook niet voor niks om de veertien dagen door de straat. Op ‘oudpapierdag’ staan de dozen vol bij de weg en de flessen gaan op kleur in de glascontainer. Zo kunnen wij veel kwijt en dan hebben we het nog niet eens over de riolering gehad. Goed, er gaat wel eens wat fout, er zit wel eens een buis verstopt, maar erg grote problemen geeft het niet.
Toen we in de jaren vijftig aan de Kruisweg in Marum woonden, kenden we deze voorzieningen niet. Voordat we riolering kregen, gingen we naar 'het huuske', zoals we de wc toen noemden. Deze was achter in het huis, twee gangen door, dan kwam je bij het washok met de werkkast en de wc. Het had bruingeverfde planken, met in het midden een ronde deksel en een emmer eronder. Aan een spijker hing papier. Geen mooi zacht toiletpapier, nee, geknipte stukjes krant, maar niet van de radiobode; dat papier was te glad. Met een haakje kon je de deur vastmaken tegen ongenode gasten. Ach, je wist niet beter, bijna iedereen had het zo. Ja, soms nog wel erger; dan was er een soort trechter, die in een put uitkwam. Wat je daar niet voorbij zag gaan! Sommige familieleden uit Groningen die een wc waren gewend zeiden: 'Ja, dan kom je uit de stad, met allerhande voorzieningen en dan moet je je zo behelpen'. Maar ook daar gingen de tonnetjes nog wel eens op de schouder naar beneden en viel er soms één volgeladen de trap af. De enige remedie die mijn moeder voor het huuske had, was de lysolpot. Liters lysol gingen er door. Het hele washok was met de lysolgeur doordrongen en als de fles leeg was maar weer naar drogisterij Ausma, want de bacteriën moesten dood.
Eén keer in de week kwam de vuilnisophaaldienst. Een paard trok een kar voor het vuilnis, de lege flessen en de as en sintels uit de kachels. Daarachter zat nog een tweewielig karretje voor de schillen en het oude brood en als laatste het tankje voor de inhoud van de wc emmers (vandaar de naam Eau de Cologne wagen). De emmers gingen op de schouder, werden geleegd en teruggezet onder de poepdoos. Een boer uit Siegerswoude was belast met deze handel. Soms zat hij lekker zijn brood op te eten. Niks geen handen wassen. 'Dat die niet ziek wordt', merkte moeder dan op. Wat de boer met de inhoud van het tankje deed, leek mijn vader ook wel wat; per slot van rekening was hij boerenzoon. Voordat mijn moeder kon ingrijpen, leegde hij op een mooie voorjaarsmorgen de emmer over ons keurige moestuintje en de week erop weer. ‘Dit is een goede meststof’, zei hij. Ja, een hele beste. Wit uitgeslagen lag die handel de hele zomer op ons tuintje. Dat jaar aten we geen aardbeien of boontjes van eigen tuin, al waren ze nog nooit zo mooi en groot. Net voordat wij naar de Raadhuisstraat verhuisden in de jaren zestig, kreeg Marum riolering. Buizen kwamen er in plaats van de putjes die om de haverklap verstopt waren. Afvoer was er namelijk alleen via de gootsteen naar dat putje. Al het gebruikte water ging daardoor. Je wist niet beter, overal was het zo.
Een bad of douche kenden we toen nog niet. Het geschilferde en geblutste emaillen teiltje was voor algemeen gebruik. Die lekte nog niet dus waarom zouden we een nieuwe kopen? Een stukje zeep, een keteltje warm water, een washandje en een handdoek en dan de trap op naar de zolder voor de wekelijkse wasbeurt. ‘s Zomers ging dat best, maar ’s winters wasten we ons in de keuken bij de allesbrander.
Eens was de ramp niet te overzien voor mij. Zaterdagmiddag, net voor de zondag, was de gasfles leeg. Mijn moeder in paniek. 'Dirk kun jij Binne Jansma bellen, dan kan hij misschien nog een volle fles gas brengen', zei ze tegen vader. Ja hoor, daar kwam Jansma al met een volle fles gas op zijn schouder, net op een ongelegen moment; Ik was me aan het wassen bij de warme allesbrander. Paniek! Gelukkig was er de grote inloopkast. Ik ging erin en moest de deur vasthouden, want daar zat geen slot in. Jansma plaatste de fles, hield grote verhalen met mijn vader over kerk, school en maatschappij en ik dacht: 'Die man gaat nooit weer weg.’ Wat hij dacht, wist ik niet; al mijn kleren lagen daar nog. Ik schaamde me diep en wat een lol hadden we na die tijd.
Voor loges, zoals tante Klaaske was er het lampetstel, waar ze gebruik van maakte. Het lampetstel bestond uit een waskom, een waterkan en een zeepbakje van aardewerk of porselein. Het was effen of versierd met een bloemenrand. Er hoorde ook een toiletemmer bij; het gebruikte water ging daarin en werd weggegooid in de gootsteen. Nu draai je een kraan open, en is er zowel koud als warm water. Echt bewust beleef je die weldaad al niet meer. Je drukt op een knopje en er is elektrisch licht, de tv gaat aan, de wasmachine, de droger, afwasmachine en wat er nog meer voor apparatuur voorhanden is. Alleen als de stroom uitvalt, zie je hoe afhankelijk en kwetsbaar je bent. De enige voorziening in het huis aan de Kruisweg was elektriciteit. Grote zwarte bakelieten lichtknoppen zaten in alle vertrekken. De leidingen liepen over de houten zolder. Op zolder hingen ook een schommel en een rekstok, en daarom speelden we daar graag. 'Wat komen daar mooie vonkjes uit de buizen, als wij touwtje springen', riep mijn broertje eens. Grote paniek; 'geen gespring meer op zolder', waarschuwden onze ouders.
Gasleidingen, zoals bij opa en de tantes in Groningen kenden wij niet, alleen butagas. Koken deed mijn moeder eerst op een elektrisch kooktoestel met twee platen. Zware emaillen pannen gebruikte ze ervoor, die later plaats maakten voor aluminium. Achteraf erg ongezond en nu ook niet meer te koop, maar er is jarenlang in gekookt. Gas in butagasflessen was ook niet alles. Altijd waren ze leeg wanneer het je niet paste en ze konden lekken. En wat in geen enkele huishouding ontbrak waren één of meerdere petroleumstelletjes, groen bruin of grijs geëmailleerd. Elzinga, de petroleumboer, maakte geregeld met zijn bakfiets een ronde door het dorp, gekleed in een Esso pak: bruin manchester met gele bies met bijpassende pet. Daar stond met grote letters op: Esso. De petroleumgeur hoorde bij Elzinga. Ja, tot in de kerk toe, met zijn zondagse pak aan, nam hij de petroleumlucht mee, evenals zijn tweelingzonen op school. 'Wat stinken jullie naar pieterolie', zeiden klasgenoten. Maar wij hadden hem nodig; hij vulde uit het grote vat onze vierkante blikjes met petroleum voor de petroleumstelletjes, waarop de runderlapjes, spruitjes, bloemkool enz. urenlang stonden te sudderen en te pruttelen. Voor het vlees was dit wel geschikt, een heerlijk mals sudderlapje en lekkere jus. Maar wat zag je in de pannen met bloemkool en spruiten: vieze bruine prut. En dan die geur! Een combinatie van groente en petroleumwalm, geen raampje dat open kon, geen afzuigkap. Je rook die vette lucht niet alleen, je proefde hem ook. Wat dat betreft mogen we, ondanks de kosten die eraan verbonden zijn, blij zijn met de voorzieningen van tegenwoordig.
