Onderdelen
Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home Verhalen Werk, werk en nog eens werk
Gecontroleerd door redactie

Werk, werk en nog eens werk

[1945-1980]
Afbeelding bij dit verhaal

Waar wij woonden, daar aan de Oranjeweg in Appingedam, daar hoorden wij eigenlijk niet. De Oranjeweg was een mooie straat met jaren dertig huizen die toen betiteld werden als ‘nette burgerbehuizing.’ De huizen werden bewoond door gezinnen waarvan het hoofd van het gezin procuratiehouder, rentenierend landbouwer of scheepsbouwer in ruste was. Wij woonden daar aan de Oranjeweg omdat mijn vader er werkte. Mijn vader die van huis uit timmerman was, werkte als conciërge aan de Landbouwhuishoudschool ‘Hilghe Born’, geëxploiteerd door de Groninger Maatschappij van of voor Landbouw, dat weet ik niet precies meer. Herinneringen aan het wonen zijn onlosmakelijk verbonden met werk.

Het fenomeen Landbouwhuishoudschool hield in de jaren van mijn jeugd in dat van heinde en verre meisjes op de fiets langs de laan naast ons huis aan kwamen fietsen om daar zaken te leren, die nuttig voor meisjes van het platteland werden geacht. Zij verkleedden zich op school in een schooluniform dat bestond uit een zelf op de naailes vervaardigde blauwe jurk met een wit schortje. De school omvatte alle aspecten van het huisvrouwenbestaan. Er werd gebakken en gekookt, gewassen en ingemaakt. De producten die daarvoor nodig waren, kwamen uit de schooltuin die ook door de leerlingen onderhouden werd en dan had je meteen een grote taak van de conciërge te pakken namelijk het onderhoud van de tuin buiten de schooluren en het verzorgen van het pluimvee voor het geslacht werd om in de kookles verder bereid te worden. De opdracht voor het slachten kwam via een briefje van de kooklerares. De leraressen van de landbouwhuishoudschool waren over het algemeen boerendochters die opgeleid waren voor het landbouwhuishoudonderwijs via een speciale kostschool of kweekschool. Met de meeste van die dames had ik wel een band omdat ik veel meeging en ik herinner me dat ik ooit een baltasje van goudbrokaat van een lerares kreeg waarin ik mijn knikkers bewaarde. Daar was ik erg trots op.

Voor mij als kind betekende het wonen aan de Oranjeweg dat ik veel met mijn vader in de grote schooltuin werkte en altijd meeging om de kippen te voeren. Ik zong dan vaak een liedje voor ze dat ik op school had geleerd in de vaste overtuiging dat ze dat leuk zouden vinden om zodoende meer eieren te leggen. Ik was namelijk gek op eieren en op zingen.

’s Winters zagen de werkdagen er heel anders uit. Dan begon de dag in het donker om half zeven met het opstoken van de grote gietijzeren centrale verwarmingsketels. De grote laadklep ging open en dan ging er een aantal grote scheppen eierkolen en cokes in waarna het vuur fel oranje werd en het water in de krakende leidingen warm werd om zo de school te gaan verwarmen. Was dit werk gedaan dan ging mijn vader naar de Nederlandse Middenstandsbank in de Koningstraat en de in dezelfde straat gesitueerde Openbare Leeszaal om ook daar de vuren aan te wakkeren voor de dag die komen ging. Thuis gekomen had mijn moeder inmiddels onze eigen kachel met aanmaakhoutjes en een oude krant aan de praat gekregen en stond er voor mijn vader een bord Brinta klaar. We ontbeten samen om daarna naar school te gaan.

Het huis dat wij bewoonden aan de Oranjeweg kreeg in de loop van de jaren wat toevoegingen en onderging verbouwingen. Mijn vader deed dat zelf na zijn werk en alles wat daarbij van pas kon komen werd bewaard. Hij kon glunderen als er ergens gesloopt werd en er een mooi stukje eikenhout kon worden buitgemaakt. Zo zijn de sintels uit de grote verwarmingsketels gebruikt om te zorgen dat we geen last meer van vocht hadden onder de vloer. Wij hadden ook altijd de kerstboom uit de school, want dan was het toch vakantie en hoefden we er geen te kopen.

De landbouwhuishoudschool is er niet meer en duurzaam leven en huishouden kun je nu niet meer op school leren, maar ik had het mooi daar als kind aan de Oranjeweg. Het huis waar ik nu woon, heeft nog mooie drempels uit een slooppand. Ze zijn er door mijn vader ingezet. Als ik ’s avonds thuiskom van mijn werk doe ik mijn schoenen uit en ga lekker zitten met mijn voeten op een voetenbankje, gemaakt van sloophout uit de oude Damster bioscoop toen die ophield te bestaan. Van dat voetenbankje, afkomstig uit ons oude schuurtje dat als werkplaatsje annex kippenhok dienst deed, heb ik al dertig jaar plezier.

En dan heb ik het nog niet eens over al die mensen die in de straat hun brood verdienden als melkboer, bakker en groenteboer en die je als kind mocht meehelpen om daarna een stuiver te krijgen. Het is stil in de straat nu, als iedereen overdag naar zijn werk elders is.

Opmerking toevoegen

You can add a comment by filling out the form below. Plain text formatting.