Mijn naam is Sophia (Fia) Verkruisen. Ik ben geboren op 4 oktober 1932 en heb 22 jaar aan de Wingerdhoek in de wijk Plan Oost (nu bekend als Oosterpark) in Groningen gewoond. Het huis aan de Wingerdhoek had een klein portaal. Beneden was er een woonkamer, een keuken en een kleine slaapkamer waar mijn ouders sliepen. De kinderen sliepen boven. Mijn oudste broer Klaas sliep op de overloop. Verder waren er 2 slaapkamers. In één slaapkamer sliepen mijn 2 oudste zussen. Mijn zus Martha en ik sliepen in de andere slaapkamer. De wc was buiten aan het huis gebouwd en vooral in de winter was het erg koud.
Op beide hoeken van de Wingerdhoek waren kruidenierszaken. Een was van de familie Optholt en de andere weet ik niet meer. Ik weet nog wel dat de meeste boodschappen moesten worden afgewogen voordat men het kocht. De bakker kwam elke dag aan de deur. Hij had een bakfiets waarmee hij al zijn broden vervoerde. Ook de melkboer kwam met paard en wagen aan de deur. De melk was altijd lekker vers; zo van de koe. Wel moest mijn moeder dit eerst koken in een melkkoker, want de melk was niet gepasteuriseerd. De boerderij waar de melk vandaan kwam, stond midden in de stad Groningen; aan de Rademarkt. Deze melkboer heette Bierling.
‘s Zaterdags wasten wij ons allemaal in een emmer en kregen schoon goed aan. Later kwam er een badhuis in de Dirk Huizingastraat en kon je je voor een kwartje douchen. In hetzelfde gebouw was ook een bibliotheek. Je kon daar een boek lenen voor 5 cent.
Daarnaast was er het zeezand. Dit was in 1919-1920 van de Eems aangevoerd ter verhoging van het terrein voor de nieuwe wijk Plan Oost. Wij sprongen er over plassen en kwamen natuurlijk kletsnat thuis met als gevolg dat onze ouders kwaad werden.
Als kinderen speelden wij veel op straat en altijd was er tijd voor knikkeren, touwtje springen, kaatsen met 3 ballen tegen de muur en kogel pikken. Bij dit laatst genoemde spel werd er een glazen kogel in de goot gegooid en moest je proberen deze te raken met een andere kogel. Als je de kogel in de goot raakte mocht je hem houden. Zo niet, dan kreeg een ander de kans. Hinkelen deed je met een been. Daarbij was het de bedoeling dat je het blokje hout weg schoof van het ene vak in het andere. We tolden ook vaak. Dat deed je met behulp van een zweep. De tol moest je kopen, maar de zweep maakte je zelf van een stok met een dun touw eraan. Als meisjes hadden wij een spelletje waarbij je elkaar een arm gaf en in 2 rijen al zingend naar elkaar toe liep. Een liedje dat we bijvoorbeeld zongen:
"Herder laat je schaapjes gaan, dat durf ik niet, waarom niet? Om de boze wolf. Nu de boze wolf is gevangen, tussen drie duizend stangen, herders laat je schaapjes gaan"
En dan liep je hard weg en diegene die de wolf tikte moest er uit.
Ik ging naar de christelijke Juliana van Stolbergschool. Het was een mooie school. De hoofdonderwijzer was mijnheer van Dalen. Elke morgen hoorden wij een verhaal uit de bijbel en in het weekeinde moesten wij een gezang uit ons hoofd leren.
In de zomer gingen we met schoolreis bijvoorbeeld met de tram naar Roden. De meeste ouders brachten ons naar school en dat was natuurlijk een groot feest. Als we in Roden aankwamen, gingen we eerst naar een groot restaurant waar wij ranja en iets te eten kregen en daarna mochten wij in de speeltuin spelen. Nu, dat was prachtig. ‘s Middags gingen wij naar een groot bos en werden er allerlei spelletjes gedaan. Zo hadden we wedstrijden met prijzen. Al met waren dat enorm leuke dagen.
Wij thuis zaten allemaal op een club. Mijn broer Klaas zat op een voetbalclub, mijn zuster Martha op korfbal en ik ging naar een gymnastiek club genaamd "Vlugheid en Kracht". Ik mocht altijd graag gymmen en doe het nu nog.
Toen wij ouder werden moesten wij werken. Ik kwam op een lingerie atelier en leerde naaien op elektrische naaimachines. De zaak waar ik werkte heette Van Rodenhuis. Mijn moeder vond het goed dat ik leerde naaien, want dan leerden wij iets wat zij zelf nooit geleerd had. Mijn oudste broer ging naar de hogere school omdat hij, als hij ging trouwen, de kostwinner in zijn gezin zou worden.
Wat Groningen zelf betreft; het is een prachtige stad met de Martinitoren en de kerk waar mijn moeder vaak heen ging om een preek te beluisteren. En dan heb je de Grote Markt met het stadhuis, de Vismarkt met al zijn kraampjes waar je alle soorten vis kan kopen; vers, gerookt of gebakken. Op de achtergrond de A - kerk en dan de winkels met de grote etalages en op het trottoir de bloemenstalletjes met zijn kleurenpracht. En dan zijn er in Groningen de parken met hun vijvers. Het Sterrebos, het plantsoen, het Stadspark, Oosterpark; het is een pracht.
En natuurlijk niet te vergeten 28 augustus wanneer wij Gronings ontzet herdenken en vieren met de kermis en z’n vertier. Ik heb goede herinneringen aan de zuurstokken, poffertjes met suiker en als de dag ten einde liep, het vuurwerk. Dit werd altijd afgestoken op de Grote Markt, tussen de Poelestraat en St. Jansstraat. Het vuurwerk werd aan een frame bevestigd. Daaraan zat ook een vogelhuisje waarin een vogeltje vloog wanneer het vuurwerk eindigde.
Toen ik veertien jaar was, werden mijn broer en ik lid van een club, de naam was J.G.O.B. dat betekende Jongere Geheel Onthouders Bond. Wij hadden een zaaltje in de Violenstraat. Daar kwamen we bij elkaar, meestal op woensdagavond en zaterdagavond. We praatten veel en hadden discussies over van alles en nog wat. Ook hadden we er een pingpong tafel en andere spelen. Het was altijd heel gezellig. In de zomer gingen we kamperen. We gingen op de fiets naar Appelscha. Daar was een kampeerterrein met tenten. We bleven daar vaak het hele weekend en maakten er wandeltochten door de bossen. We waren allemaal natuurliefhebbers. ‘s Avonds hadden we vaak een kampvuur en sommige jongeren speelden gitaar en banjo terwijl wij zongen. In de winter luisterden wij naar klassieke muziek. Ook gingen we met elkaar Wadlopen. Dan liep je met blote voeten door de modder en je vond er schelpen en krabben. Dat was voor mij een hele mooie tijd. Daar denk ik met plezier aan terug.
Ik ga mijn tijd in Groningen eindigen met het lied van het paard, dat nu voor het centraal station staat.
Peerd van oome Loeks is dood, Loeks is dood, Loeks is dood. Peerd van oome Loeks is dood hartstikke dood, Guster nog goud gezond, draait met zien steert in ‘t rond, Peerd van oome Loeks is dood, hartstikke dood.
Hoewel ik Groningen erg mooi vind, ben ik naar Amsterdam verhuisd, omdat mijn vriend daar woonde. Met hem ben ik getrouwd in 1957. In 1959 zijn mijn man en ik naar Canada vertrokken en wij wonen nu 48 jaar in Canada. Wij hebben 2 zonen en 5 kleinkinderen. Gemiddeld gaan wij om de 5 jaar naar Nederland en natuurlijk naar Groningen.
