In de tachtiger jaren woonde ik in de Oosterpoort, daar waar de treinen uit de rest van Nederland de stad Groningen binnenkomen. Ik woonde aan de Lodewijkstraat, direct aan het spoor en boven de ingang van de werkplaats van de firma Nauta en Zn. Het was een ultieme plek.
Zo kon ik iedere treinreiziger die Groningen binnenkwam bekijken, voordat hij uitstapte op het station. Treinen stopten voor het sein als het op rood stond en dat gebeurde pal voor mijn deur. In de treinen zaten mensen die sliepen, stonden mensen die hun jas aantrokken, waren anderen bezig hun spullen bij elkaar te pakken, en er waren er die uit het raam keken (naar mij?). Treinen werden gewassen in de ‘treinwasstraat’: zachtjes brommend, dof erin, glanzend eruit, pal voor mijn deur.
Een trein ziet er overdag anders uit dan ’s nachts. Op een avond liet ik bezoek uit bij de voordeur, het was donker en rustig op het zachte wachten na van de trein richting de stad. Tijdens het napraten, weet ik nog, dat ik naar die trein keek. Het had, denk ik, net geregend, want hij glom en ik dacht: Tjee, wat een indrukwekkend stuk machine is het toch, zo’n trein! De dieseltreinen konden stinken als ze voor de deur stonden. Als het waaide, was er niet zoveel aan de hand. In mijn woninkje was de woonkamer aan de voorkant en keuken en slaapkamer waren aan de achterkant. Het is ’s nachts wel eens voorgekomen, dat ik wakker werd van de dieselgeur. Het was dan windstil. De geur was heel stiekem mijn slaapkamer binnengekomen via het raam, dat op een kiertje stond.
Mijn huis lag niet ver van het centrum, 10 minuten lopen. Ik moet er ineens aan denken, dat ik een keer naar het station liep (ook 10 minuten lopen), ik had een excursie van school. Ik liep langs het spoor en dan aan het eind de trap op en dan kom je op de Hereweg (doorlopen onder de Hereweg door, kon toen nog niet). Het was ’s ochtends vroeg en het had die nacht gevroren, het was glad. Ik had wat haast en onderaan die trap ben ik toen vreselijk onderuit gegaan.
Mijn huis had alleen verwarming in de woonkamer, een gaskachel. In de 5 jaar, dat ik in het huis woonde, moest de kachel een keer vervangen worden. De gasman kwam langs om de oude schoon te maken en na de controle voor koolmonoxide zei hij heel gedecideerd: “ik sluit deze kachel af”. Oh en dan te bedenken, dat mijn kat regelmatig op die kachel lag te slapen.
In het huis was geen douche. Er was wel een gangkast en ik had diverse plannetjes om er een douche in te maken, totdat ik een prachtig alternatief vond: een plastic zitbad, een azuurblauwe, ze zijn niet meer te koop. Ik zette het in de keuken, gooide er warmwater in en heus badzout. En als ik klaar was, schepte ik heel voldaan het water er weer uit. Mijn bad, mijn luxe.
In de winter was het hard werken in huis om het warm te houden. De woonkamer was in orde op de koude voeten na, maar de keuken en de slaapkamer waren zo koud ! Het is eens zo koud geweest, dat ik op bed lag met van alles over me heen: dekens, jassen en zelfs een vloerkleed. Gek, ik ben toen nooit op het idee gekomen om er eens een kruik bij te halen.
In de zomer was het prachtig, want ik had een platdak. De kat vond het ook leuk. Als katzijnde moest je namelijk vanuit de keuken spurten, de reling op springen en dan vol gas het volgende dak pakken om dan tot slot vol in de ankers te gaan, zodat de steentjes wel eens door de lucht vlogen.
Vanaf het platdak kon ik de hele buurt afzien die zich bevond tussen de Oosterweg en de Lodewijkstraat, alle achterkanten dan wel te verstaan. Aan de Oosterweg stond de kerk, waar ze appartementen in maakten met riante balkons. Op die balkons had ik vanuit mijn keuken ook zicht, soms wat te veel naar mijn smaak: blote mensen, knuffelende mensen…
Naast mij woonde ‘de buurvrouw’. Zij moest altijd op haar plaatsje zijn, als ik bijvoorbeeld mijn was ophing. Ik heb haar dat vaak niet in dank afgenomen, want zij stond lekker in de luwte en ik in de wind en maar kletsen over van alles en nog wat. Ja, zij dan, want ik was 20 en zij 60. Ik moest ja nog zoveel doen, ik was zo ongeduldig en zij had alle tijd. Ze vertelde van haar verdriet, van Bedum waar ze vandaan kwam, van haar man, die overleden was. Wat een mooi mens eigenlijk. Ik had auto’s, oude, een Opel City, een Volkswagen Kever, een Ford Fiësta. De City had last van vochtige contactpunten en als het ding dan niet starten wilde, werd het tot vlak voor de voordeur geduwd en dan, met een verlengsnoer van boven, föhnde ik de puntjes weer droog en hup daar ging het dan weer. Men heeft een keer geprobeerd om mijn Kever voor de deur weg te stelen, maar dat is niet gelukt, want de accu was leeg. Dat was geluk hebben! Een ultieme plek daar aan de Lodewijkstraat.
