Achgutteguttegut! Riepen recreërende fietsers vaak uit als ze mij als klein meisje op de steiger zagen spelen. Zo’n kind toch, en ze hebben gain gaaz, gain elektries, gain wotter... In de jaren tachtig opgroeien op een varend woonschip werd niet door iedereen als even positief gezien. Ik schreef dat altijd maar toe aan hun onmacht zich in te leven in de wondere wereld van de varende woonschepen. Want op zo een schip ben ik opgegroeid.
Een 26 meter lange Steilsteven, gebouwd in 1931 in Stadskanaal als vrachtschip. Aanvankelijk heette het schip ‘ de Vertrouwen.’ In de oorlog was het schip ‘ fout’, en vervoerde het goederen naar Duitsland. Nu is het schip de woonplaats van mijn ouders, en heet het ‘ Meintja’. Die naam klinkt wonderlijk, maar is eigenlijk heel logisch. De laatste eigenaar, de man van wie mijn ouders het schip in 1981 kochten, heette Meint, zijn vrouw Jantje, samengevoegd ‘ Meintja’! Meint was een Groningse schipper, samen met Jantje hadden ze jaren vracht gevaren. In 1981 vonden ze het wel mooi geweest en ze verkochten de boel. Mijn ouders vonden dat verhaal ontroerend, dat ze de naam zo hebben gelaten. Veel passanten denken overigens dat die naam een Groningse verbastering is van ‘Dat schip is mijnt, ja’.
Mijn ouders kochten het schip in 1981. Er waren toen al redelijk veel woonschepen in Groningen, vooral in de Noorderhaven en in de woonschepenhaven vlakbij de Oosterhogebrug. Dat had te maken met woningnood, maar ook met een manier van leven: het heeft wel wat als je wakker wordt van eendjes die langs je raam zwemmen. Ook de vrijheid om, met je eigen huis, het ruime sop te kiezen wanneer je maar wilt, sprak veel mensen aan. Gelegaliseerde en geregistreerde ligplaatsen zoals die nu bestaan, met faciliteiten als een riool en electriciteit van de wal, waren toen nog niet zo normaal als nu. Soms werden ligplaatsen gewoon gekraakt, maar meestal wees de gemeente of het waterschap de woonschepen een plaats toe.
Eerst lag de Meintja een tijdje tegenover het Centraal Station, toen nog enige tijd aan het Hoendiep, maar al in de lente van 1983 voeren ze het naar het Aduarderdiep, vlakbij het dorpje Den Horn. Ik was toen één. Ze kwamen aan bij een zogenaamde ‘gedoogplek’ van het waterschap. Er lagen al meer varende woonschepen, veel mensen met kleine kinderen. Hierdoor was het destijds direct een gemoedelijke woonplek.
Veel herinner ik me niet van die eerste tijd. Wel weet ik dat ik zodra ik enigszins kon lopen, ook direct zwemles kreeg. En dat was wel nodig. De keren dat ik door te hard rennen in de gangboorden in het kanaal ben beland, zijn ontelbaar. Bijvoorbeeld in 1987, toen ik vijf was. Toen kwamen mijn opa en oma op bezoek, en terwijl ik hen tegemoet rende struikelde ik en plonste zo het water in. Mijn moeder schrok zo dat ze er direct achteraan sprong. Daar zaten we in de kniehoge drek, terwijl mijn opa en oma beduusd uit de auto stapten. Ik geloof dat ze de schrik tot op de dag van vandaag nog niet helemaal te boven zijn, ze hebben het er nog over.
Maar het water zorgde ook voor veel minder nat vermaak, helemaal in de vakanties. In de winter werd ik met houtjes onder gebonden overboord gezet en maakten mijn vader en ik schaatstochten. In de zomer werd de telefoonlijn afgekoppeld, de fietsen en de poes aan boord gehesen en gingen de trossen los. De Friese meren, het Wad, de Drentse hoofdvaart maar ook België en Duitsland deden we aan. Zo ver als we konden komen in de drie weken die mijn ouders vrij hadden. Daarna was het leven weer zoals dat van ieder ander kind. Mijn ouders werkten en ik ging gewoon naar school. Onze thuisbasis dreef weliswaar, maar was verder eigenlijk behoorlijk normaal.
Toen ik ouder werd vond ik het suf worden. Waarom gingen wij nooit eens met een caravan naar Frankrijk, zoals mijn hele klas? Er mochten wel altijd vriendjes en vriendinnetjes mee, maar dat was op den duur niet meer genoeg, ik vond het saai. En hoewel we wel degelijk gas hadden, in een verwisselbare bus, electriciteit met behulp van een windmolen, en water, gewoon uit een watertank, begon ik wel te puberen. Want het water was altijd op als ik mijn haar net had ingezeept onder de douche, het gas verging het vaak net zo, en als het windstil was kon ik in mijn klas dus mooi niet meepraten over televisieprogramma’s, want halverwege werd het beeld zwart...
Inmiddels is er veel veranderd. Op het moment dat ik, zo’n acht jaar geleden, op mijzelf ging wonen, begon de gemeente de woonsituatie van woonschipbewoners aan te pakken. Mijn ouders hebben nu ‘ gaaz’ en ‘elektries’ van de wal, en met behulp van de digitenne ontvangen ze meer zenders dan de meeste Nederlanders. ‘Opgestuwd in de vaart der volkeren’, noemt mijn moeder dat. Er liggen nu ook veel arken, drijvende betonbakken zonder motor, maar van alle gemakken voorzien. Verder heeft de gemeente de ligplaats gelegaliseerd. Mijn ouders hebben nu een ‘huis’-nummer en betalen gewoon liggeld. Wonen op een woonschip is in 2007 allang niet meer primitief, voor zover het dat überhaupt ooit was. Het is een heerlijke manier van wonen!
